direct naar inhoud van 5.2 Ruimtelijke uitgangspunten
Plan: Bergen aan Zee
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0373.BPG05000berzeekern-C001

5.2 Ruimtelijke uitgangspunten

In het algemeen zijn het toeristische karakter van Bergen aan Zee alsmede de kenmerkende hoofdzakelijk open stedenbouwkundige structuur in combinatie met de voorkomende natuur- en landschapswaarden, uitgangspunt voor het bestemmingsplan. Hierna wordt nader ingegaan op enkele aspecten van de ruimtelijke structuur.

5.2.1 Bebouwingspatroon

Dorpskern

In het algemeen is de gemengde functie van de dorpskern met bijbehorende diversiteit aan bebouwing en dichtheden uitgangspunt voor het bestemmingsplan. Voor de uitbreidingswijk aan het Engelse veld wordt behoud van de woonfunctie nagestreefd.

Villagebieden

Het uitgangspunt is het respecteren van het huidige landschappelijk en natuurlijk ingepaste open bebouwingspatroon met vrijstaande woningen. Verdichting van het bebouwingspatroon, behoudens het respecteren van mogelijke bestaande rechten voor woningen, wordt niet wenselijk geacht.

Parken en strand

Uitgangspunt is dat de aanwezige parken met hun huidige karakteristieken en recreatieve functie behouden blijven. Voor het Parnassiapark is een herinrichtingsplan opgesteld dat uitgangspunt is voor het bestemmingsplan. Voor het strand geldt dat de bestaande strandpaviljoens met 20% mogen worden uitgebreid tot een maximum van 750 m². De (voormalige) verkooppunten geldt dat deze worden gezien als strandpaviljoen, met dien verstande dat deze mogen uitbreiden tot een maximale oppervlakte van 250 m². De bebouwing op het strand dient zoveel mogelijk te worden geconcentreerd rond de hoofdafgang bij het Van der Wijckplein.

5.2.2 Specifieke onderwerpen

Uitbreidingen hoofdgebouwen

Beperkte uitbreidingen (in oppervlakte) van de hoofdgebouwen worden in beginsel mogelijk geacht, mits de specifieke kenmerken en ruimtelijke karakteristieken van de desbetreffende deelgebieden in acht worden genomen. Voor aaneengebouwde woningen wordt in beginsel geen uitbreiding van het hoofdgebouw toegestaan (anders dan in de vorm aan- en uitbouwen). In enkele gevallen worden de uitbreidingsmogelijkheden van (bij elkaar gelegen) woningen op elkaar afgestemd.

De maximale goot- en bouwhoogten zijn gebaseerd op de bestaande situatie.

Erfbebouwing bij woningen

Op 19 december 2006 heeft de gemeenteraad besloten hoe er met enkele thema's wordt omgegaan in alle nieuwe bestemmingsplannen. Eén van de thema's waarover besloten is betreft erfbebouwing bij woningen.

Gekozen is voor een regeling waarbij bij iedere woning 50 m² aan erfbebouwing is toegestaan, mits ten minste 25 m² van het gezamenlijke zij- en achtererf onbebouwd en onoverdekt blijft. Bij percelen vanaf 500 m² geldt vervolgens een gestaffelde regeling waarbij, afhankelijk van de grootte van het perceel, een grotere oppervlakte aan erfbebouwing is toegestaan tot een maximum van 75 m².

Overigens dient ook altijd een bebouwingspercentage in acht te worden genomen dat geldt ten opzichte van het bouwperceel en dat van toepassing is op alle bebouwing op het perceel (het hoofdgebouw (de woning) en de erfbebouwing). De bebouwingspercentages variëren van 35% tot 45%, afhankelijk van het type woning (vrijstaand, twee-aaneen, hoekwoning, rijtjeswoning).

Andere aspecten ten aanzien van het thema erfbebouwing waarover besloten is, zijn de goot- en bouwhoogten, de aan te houden afstanden tot de perceelgrenzen en de diepte en breedte van aan- en uitbouwen. In hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving wordt hier nader op ingegaan.

In afwijking van het voorgaande is tevens besloten dat daar waar dit uit ruimtelijk oogpunt of anderszins vereist is, maatwerk moet worden geleverd om recht te doen aan de karakteristieken van het gebied. In het kader van dit maatwerk wordt in het op te stellen bestemmingsplan voor de woningen in het duingebied een aparte regeling voor erfbebouwing opgenomen. De woningen zijn hier gelegen in het duinlandschap dat vanuit het omliggende natuurgebied de wijk binnen komt. Om het landelijke en natuurlijke karakter te behouden, mag op de percelen geen vrijstaande erfbebouwing worden gebouwd. Bovendien zal voor deze woningen een bouwvlak worden opgenomen waarbinnen alle bebouwing (dus hoofdgebouw en erfbebouwing) moet worden gebouwd, waarbij maximaal 25% van het bouwvlak mag worden bebouwd met erfbebouwing tot een maximum van 50 m². De hiervoor genoemde staffelregeling met betrekking erfbebouwing is dan ook niet van toepassing. Dit is een voortzetting van het vigerende bestemmingsplan dat ook geen vrijstaande erfbebouwing mogelijk maakt en gericht is op het behoud van het landschappelijke en natuurlijke karakter van het gebied.

Recreatiewoningen op particuliere erven met een woonbestemming

Op 26 juni 2007 heeft de gemeenteraad van Bergen een beleidslijn vastgesteld met betrekking tot de recreatiewoningen op particuliere erven.

De nu aanwezige recreatiewoningen bij vrijstaande woningen in de bebouwde kom krijgen een positieve bestemmingsregeling. Dit geldt eveneens voor de huidige planologische mogelijkheden voor recreatiewoningen op particuliere erven (alleen bij vrijstaande woningen en met uitzondering van woningen in de uitbreidingswijken).

Om te voorkomen dat er een te grote bebouwingsdichtheid ontstaat, is ervoor gekozen een relatie te leggen met de erfbebouwingsregeling bij woningen. Dit wil zeggen dat de aanwezigheid van een recreatiewoning ten koste gaat van de toegestane oppervlakte aan overige erfbebouwing. Het voorgaande is ook van toepassing indien er sprake is van een inmiddels afgesplitst perceel.

Met betrekking tot het permanent bewonen van recreatiewoningen wordt opgemerkt dat besloten is om geen woonbestemming toe te kennen aan deze recreatiewoningen. Uit ruimtelijk-stedenbouwkundig oogpunt is dit niet gewenst, onder andere omdat de recreatiewoningen vaak op achtererven staan, er sprake zal zijn van wonen achter wonen, de bereikbaarheid en de kavelstructuur niet bedacht zijn op een woonsituatie, er sprake kan zijn van de aantasting van privacy en een woonbestemming bovendien kan leiden tot planschade. In uitzonderlijke gevallen kan het overigens voorkomen dat er uit ruimtelijk/stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar bestaat tegen het toekennen van een woonbestemming.

5.2.3 Groenstructuur

De groenstructuur wordt gevormd door het duin- en het boslandschap. De groenstructuur dient behouden en waar mogelijk versterkt te worden. Om dit te bereiken worden verharde parkeerplaatsen naast wegen omgezet in grasbermen. Waar mogelijk wordt bij herinrichting van woonstraten de profielen versmald, waardoor een groener straatbeeld ontstaat.

5.2.4 Waterhuishouding

Vertaling beleid water naar bestemmingsplan

De gemeente en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier streven gezamenlijk naar een duurzaam stedelijk waterbeheer. Met het oog op de te verwachten klimaatverandering (nattere winters, drogere zomers en intensievere buien), zal op een duurzame wijze met waterbeheer moeten worden omgegaan. Stedelijke gebieden dienen volgens het beleid van WB21 (zie paragraaf 3.1) meer zelfvoorzienend te worden in zowel de waterkwaliteit als de waterkwantiteit, waardoor zo min mogelijk wordt afgewenteld op andere gebieden.

Het nieuwe bestemmingsplan is gebaseerd op de bestaande situatie. Grootschalige nieuwe ontwikkelingen zijn niet aan de orde. Hieronder worden de aandachtspunten voor mogelijke toekomstige ontwikkelingen gegeven.

Duurzaam waterbeheer in geval van ruimtelijke ontwikkelingen

Aangezien in het plangebied infiltratie plaatsvindt, zijn maatregelen om wateroverlast te voorkomen nauwelijks relevant. Gezien de stedelijke functie bestaat er ook geen tekort aan water.

In de duinzoom achter de duinen zijn door het schone kwelwater, afkomstig uit de duinen, goede mogelijkheden voor ontwikkeling van hoge natuurwaarden. Om het kwelwater schoon te houden is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van bodem en grondwater te voorkomen. Met het oog op een duurzaam water dient (bij ruimtelijke ontwikkelingen) zoveel mogelijk schoon hemelwater te worden afgekoppeld en in de bodem geïnfiltreerd. De keuze wélke oppervlakken (bijvoorbeeld welke wegen) en met welke technieken en voorzieningen kan worden afgekoppeld, dient te gebeuren aan de hand van een advies van het hoogheemraadschap. Voor infiltratie wordt de toepassing van infiltratieriolen (buizen waarmee schoon hemelwater in de bodem wordt geïnfiltreerd) geadviseerd, ook wadi's zijn een optie om water te infiltreren. Infiltratiemaatregelen zorgen ervoor dat schoon hemelwater niet wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Vanuit het belang van de waterkering is bebouwing in de kustzone in principe ongewenst. Op het strand zijn, onder voorwaarden, gedurende het hele jaar strandpaviljoens toegestaan. Het Hoogheemraadschap bepaalt op welke afstand van de kering en de duinen en onder welke voorwaarden bebouwing is toegestaan. Dit geldt dus naast de bepalingen uit het bestemmingsplan en in dit kader dient een vergunning op grond van de Keur te worden aangevraagd.

5.2.5 Natuurwaarden

Het plangebied maakt deels onderdeel uit van het Natura 2000-gebied 'Noordhollands Duinreservaat' en wordt derhalve beschermd in het kader van de Natuurbeschermingswet. Uitgangspunt voor de natuurwaarden is behoud en waar mogelijk versterking. Om dit te waarborgen dienen de bestaande natuurgebieden te worden beschermd. Dit kan door buiten de kern geen woningbouw of andere bebouwing mogelijk te maken.

Voor de duinwoningen die grenzen aan het Natura 2000-gebied 'Noordhollands Duinreservaat' dient de bouw van losstaande bijgebouwen te worden tegengegaan.

5.2.6 Cultuurhistorie en archeologische waarden

Op basis van het archeologisch onderzoek, dat is uitgevoerd door de Stichting Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland, zijn de archeologische verwachtingswaarden in beeld gebracht. Hierbij is onderscheid gemaakt in 5 categorieën, elk met verschillende criteria. De volgende categorieën worden onderscheiden.

categorie   rekening houden met archeologie vanaf planomvang van:  
eerste   bij alle grondroerende werkzaamheden  
tweede   bij plannen van 50 m² en groter, grondroerende werkzaamheden dieper dan 35 cm  
derde   bij plannen van 500 m² en groter, grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm  
vierde   bij plannen van 2.500 m² en groter, grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm  

Binnen het plangebied komt alleen de vierde categorie (archeologisch onderzoek nodig vanaf een planomvang van 2.500 m² en groter, grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm) voor, in combinatie met de situatie waarbij de beoogde grondroerende werkzaamheden dieper reiken dan 40 cm. Uitgangspunt van het beleid is om de archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem te bewaren. Als, ondanks eventuele aanpassingen, er verstoring van die waarden optreedt, dienen de archeologische gegevens door middel van onderzoek te worden gedocumenteerd voordat zij verdwijnen.

Regime

In het gehele plangebied wordt een bijzonder archeologieregime gerealiseerd vanwege de mogelijke aanwezigheid van belangwekkende archeologische bodemsporen en voorwerpen. Dit archeologieregime wordt gerealiseerd door middel van een dubbelbestemming als archeologisch waardevol gebied van de vierde categorie en voor het bebouwde gebied gekoppeld aan bouwverbod met bevoegdheid tot afwijken.

Criteria

In dit archeologieregime dient bij alle grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm binnen een planomvang van 2.500 m² of groter archeologisch onderzoek te worden verricht. Indien de werkzaamheden reiken tot beneden een diepte van 40 cm.