direct naar inhoud van 4.10 Ecologie
Plan: de Voert 10
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0373.BPG01007voert10-A001

4.10 Ecologie

Deze paragraaf betreft een samenvatting van het uitgebreide bureauonderzoek zoals opgenomen in bijlage 2.

Toetsing en conclusie

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000, een beschermd natuurmonument of een beschermd landschapsgezicht en maakt ook geen deel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). Het plangebied is wel op 120 m afstand van het Natura 2000- gebied 'Noordhollands duinreservaat' gelegen. Gezien de tussenliggende buffers (wegen, bomen en water), aard van de ontwikkeling en de afstand is de verwachting dat de planontwikkeling binnen het plangebied geen negatieve effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied heeft. De natuurbeschermingswet vormt daarmee geen beletsel voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Flora- en faunawet niet optreden. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

Er zal geen ontheffing nodig zijn voor de tabel 1-soorten van de Flora- en faunawet waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet geldt.

De aantasting en verstoring van vogels dient te worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van 15 maart tot en met 15 juli) te laten starten.

Mogelijk zijn zwaar beschermde vleermuizen (tabel 3, bijlage IV HR), dan wel vogels met een vaste nestplaats binnen het plangebied aanwezig. Indien vaste rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen van deze soorten aanwezig blijken (hetgeen aan de hand van veldonderzoek in het voorjaar, zomer en najaar moet worden vastgesteld) en aangetast worden door toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, dan dient overtreding van de Flora- en faunawet voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Flora- en faunawet de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Indien de vereiste maatregelen niet mogelijk zijn, dient in nader overleg met de Dienst Regelingen van het Ministerie van LNV bepaald te worden of het plan in zijn huidige vorm uitvoerbaar is.

Conclusie

Doordat bestaande bebouwing zal worden gesloopt, kan mogelijk aantasting van (het leefgebied van) beschermde dier/ of plantensoorten ontstaan. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke verandering mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtreding van de Flora- en faunawet niet optreden. In een veldonderzoek zal moeten worden bezien of mogelijk (zwaar) beschermde vleermuizen, dan wel vogels met een vast nestplaats binnen het gebied aanwezig zijn. Dit onderzoek zal zijn afgerond voor vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan.