direct naar inhoud van Bijlage 2 Bureauonderzoek Ecologie
Plan: de Voert 10
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0373.BPG01007voert10-A001

Bijlage 2 Bureauonderzoek Ecologie

In dit bureauonderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan Voert 10 te Bergen. Het plangebied bestaat uit meerdere gebouwen, opgaande begroeiing (bomen en struiken), grasland en verhard terrein.

Beoogde ontwikkelingen

Het project voorziet in de bouw van een nieuwe villa. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

  • verwijderen beplanting en bomen;
  • sloop van gebouwen;
  • grondwerkzaamheden;
  • bouw van villa.

Toetsingskader

Beleid

De Nota Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS is op provinciaal niveau uitgewerkt in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS).

Normstelling

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert LNV de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van LNV aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van LNV aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van LNV). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op habitatsoorten en habitattypen.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000, een beschermd natuurmonument of een beschermd landschapsgezicht en maakt ook geen deel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). Het plangebied is wel op 120 m afstand (zie figuur 1) van het Natura 2000-gebied 'Noordhollands duinreservaat' gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPG01007voert10-A001_0005.jpg"

Figuur B2.1 Ligging plangebied (zwarte cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Noord Hollands Duinreservaat' (gearceerd gebied)

Het Habitatrichtlijngebied Noord-Hollands duinreservaat kwalificeert zich vanwege de volgende kenmerken:

Belangrijkst gebied voor:

Habitattype  
2130 * Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (grijze duinen)  
2140 * Vastgelegde ontkalkte duinen met kraaihei  
2180 Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied; verbond van Els en Vogelkers  

* prioritair habitat

Verder aangemeld voor:

Habitattype  
2110 Embryonale wandelende duinen  
2120 Wandelende duinen op de strandwal met helm  
2160 Duinen met duindoorn  
2170 Duinen met kruipwilg  

Soort  
1042 Gevlekte witsnuitlibel  

Binnen het plangebied is alleen het type 2180 (Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied; verbond van els en vogelkers) aanwezig.

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (Broekhuizen, 1992; Limpens, 1997; www.ravon.nl; FLORON, 2002; en www.waarneming.nl) waarin de waarnemingen zijn aangegeven.

Planten

Volgens het Natuurloket zijn vaatplanten slecht onderzocht binnen het betreffende kilometerhok. Er zijn meerdere zwaar beschermde vaatplanten aangetroffen binnen het betreffende kilometerhok. Mogelijk gaat het hier om dotterbloem en zwanenbloem die in en nabij de sloten groeien binnen het plangebied. De verwachting is, gezien de voorkomende biotopen, dat binnen het plangebied geen beschermde vaatplanten voorkomen.

Vogels

Het Natuurloket geeft aan dat broedvogels niet onderzocht zijn. Binnen het plangebied bevinden zich bomen en gebouwen waarin vogels kunnen broeden. Mogelijk dat soorten als boerenzwaluw en huismus hun nestplaatsen in de gebouwen hebben. De bomen kunnen geschikt zijn voor algemene soorten als ekster, kraai, merel, spreeuw, koolmees en pimpelmees.

Zoogdieren

Het Natuurloket meldt dat zoogdieren (inclusief vleermuizen) binnen het plangebied slecht onderzocht zijn. Op basis van de atlas van Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen, 1992) en de aanwezige biotopen worden de volgende soorten in het plangebied verwacht: huisspitsmuis, veldmuis, mol en egel. Een zwaar beschermde soort als de eekhoorn wordt hier niet verwacht, gezien het aantal voorkomende (oude) bomen en verstoring vanuit de omgeving. De verwachting is dat de eekhoorn gebruikmaakt van de nabijgelegen bosgebieden.

Gezien de aanwezigheid van bomen en bebouwing zijn vaste verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied te verwachten. Vleermuissoorten als rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis en laatvlieger kunnen mogelijk vaste verblijfplaatsen op de planlocatie hebben. Het opgaande groen is mogelijk ook onderdeel van het foerageergebied en de vliegroute van de genoemde vleermuizen. Bomen met een diameter groter dan 30 cm kunnen geschikt zijn als vaste verblijfplaats voor vleermuizen.

Amfibieën

Volgens het Natuurloket is het kilometerhok redelijk onderzocht op amfibieën. Vooral de meer algemeen voorkomende amfibieën als gewone pad en bruine kikker zullen met name vaste verblijfplaatsen hebben binnen het plangebied. In de winter kunnen met name heggen, struweel en bebouwing als winterbiotoop dienen. In het voorjaar kunnen de watergangen die zich nabij het plangebied bevinden dienen als voortplantingsplaats. Volgens de verspreidingsgegevens van RAVON is binnen het betreffende kilometerhok de zwaar beschermde rugstreeppad waargenomen. De verwachting is dat deze soort gebruik zal maken van de nabijgelegen sloten en oevers, maar geen gebruikmaakt van het plangebied.

Overige soorten

Het plangebied is ongeschikt als biotoop voor beschermde reptielen en insecten (vlinders, sprinkhanen en libellen). De genoemde beschermde soortengroepen stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In tabel B2.1 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel B2.1 Beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime

vrijstellingsregeling   tabel 1     mol, egel, huisspitsmuis en veldmuis

bruine kikker en gewone pad  
ontheffingsregeling Ffw   tabel 2      
  tabel 3   bijlage 1 AMvB    
    bijlage IV HR   alle vleermuizen
 
  vogels   cat. 1 t/m 4   huismus  
    cat. 5   boerenzwaluw, koolmees, pimpelmees, spreeuw, ekster en zwarte kraai  

Toetsing

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000, een beschermd natuurmonument of een beschermd landschapsgezicht en maakt ook geen deel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). Het plangebied is wel op 120 m afstand (zie figuur 1.1) van het Natura 2000-gebied 'Noordhollands duinreservaat' gelegen. Gezien de tussenliggende buffers (wegen, bomen en water), aard van de ontwikkeling en de afstand, is de verwachting dat de planontwikkeling binnen het plangebied geen negatieve effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied heeft. De natuurbeschermingswet vormt daarmee geen beletsel voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Ffw niet optreden. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden. Er zal geen ontheffing nodig zijn voor de tabel 1-soorten van de Ffw waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Ffw geldt.

De aantasting en verstoring van vogels dient te worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van 15 maart tot en met 15 juli) te laten starten.

Mogelijk zijn zwaar beschermde vleermuizen (tabel 3, bijlage IV HR), dan wel vogels met een vaste nestplaats binnen het plangebied aanwezig. Indien vaste rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen van deze soorten aanwezig blijken (hetgeen aan de hand van veldonderzoek in het voorjaar, zomer en najaar moet worden vastgesteld) en aangetast worden door toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, dan dient overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Ffw de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Indien de vereiste maatregelen niet mogelijk zijn, dient in nader overleg met de Dienst Regelingen van het Ministerie van LNV bepaald te worden of het plan in zijn huidige vorm uitvoerbaar is.

Conclusie

Doordat bestaande bebouwing zal worden gesloopt, kan mogelijk aantasting van (het leefgebied van) beschermde dier/ of plantensoorten ontstaan. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke verandering mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtreding van de Flora- en faunawet niet optreden. In een veldonderzoek zal moeten worden bezien of mogelijk (zwaar) beschermde vleermuizen, dan wel vogels met een vast nestplaats binnen het gebied aanwezig zijn. Dit onderzoek zal zijn afgerond voor vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan.