direct naar inhoud van 3.4 Ecologie
Plan: Perceel tussen Midden Geestweg 1 en Meerweg 7
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0373.BPG01008meerweg7-B001

3.4 Ecologie

Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit een perceel begroeid met bomen en struiken.

Beoogde ontwikkeling

Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van één woning. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

  • 1. verwijderen beplanting en bomen;
  • 2. bouwrijp maken;
  • 3. bouwwerkzaamheden.

De huidige situatie van het plangebied bestaat uit een perceel begroeid met bomen en struiken.

Conclusie

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van Natura 2000 en EHS. Direct ten westen van de Meerweg ligt echter het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat. Er vindt geen directe aantasting plaats. De ontwikkeling in het plangebied kan wel tijdens de bouwfase leiden tot verstoring van het Natura 2000-gebied. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, wordt deze verstoring echter voorkomen. Eventuele verstoring tijdens de gebruiksfase valt weg in de reeds bestaande verstoring van de woonbebouwing langs de Meerweg. De toevoeging van één woning leidt daarnaast niet tot een merkbare toename van de stikstofdepositie. Negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat kunnen dan ook worden uitgesloten. De verderweg gelegen EHS-gebieden ondervinden, gezien bovenstaande effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, eveneens geen negatieve effecten.

De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Flora- en faunawet (Ffw) niet optreden.

Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van één woning. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron:www.vogelbescherming.nl). Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze soorten staan vermeld in categorie 1 t/m 4 van de 'Aangepaste lijst van jaarrond beschermde vogelnesten' (Ministerie van LNV, 2009). Deze soorten zijn niet aanwezig in het plangebied. Indien de werkzaamheden effect hebben op deze soorten is een ontheffing nodig. Voor vogels kan alleen een ontheffing worden verleend op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn.
  • De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik zijn alleen tijdens het broedseizoen beschermd. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig, indien werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden of maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat deze soorten zich vestigen tijdens het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mag van deze soorten het nest worden verplaatst of verwijderd.
  • Als gevolg van de realisatie van een oprit moet er mogelijk één boom langs de Meerweg gekapt worden. Deze boom heeft tevens geen verblijfsfunctie voor vleermuizen. Het verwijderen van zo'n beperkt aantal bomen heeft geen effect op het functioneren van de mogelijke migratieroute voor vleermuizen die de laanbeplanting langs de Meerweg vormt.
  • In de omgeving van het plangebied is het voorkomen van de rugstreeppad bekend. Het plangebied is nu ongeschikt voor deze soorten, maar kan aantrekkelijk leefgebied worden als grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. Bij de uitvoering van de grondwerkzaamheden kunnen maatregelen worden genomen om te voorkomen dat (her)vestiging of (her)kolonisatie van beschermde soorten kan plaatsvinden, daarvoor kan het terrein regelmatig worden gemaaid, zodat er geen (natuurlijke) houtige beplanting kan groeien. Ook het vlak houden van het terrein kan de (her)vestiging van soorten tegengaan. Daarnaast is het dagelijks gebruik van het terrein een vorm van verstoring om (her)vestiging van beschermde soorten tegen te gaan. Echter verstoring mag alleen worden toegepast ter voorkoming van de (her)vestiging van soorten en niet ter bestrijding van al aanwezige soorten. Zo kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat de rugstreeppad (die namelijk aangetrokken wordt door grondwerkzaamheden in de nabijheid van water) zich vestigt door de werkzaamheden naadloos op elkaar te laten aansluiten en/of het plangebied voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden volledig af te schermen met antiworteldoek (hoogte 40-50 cm en 5 cm in de grond). Mochten ondanks deze voorzorgsmaatregelen onverhoopt toch beschermde dieren zich in het gebied vestigen, dan moeten de werkzaamheden worden stilgelegd, gewacht worden tot de nesten vrijwillig zijn verlaten of ontheffing worden aangevraagd.