direct naar inhoud van 4.9 Ecologie
Plan: Sportlaan 2-4 Schoorl
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0373.BPG04001sport2tot4-A001

4.9 Ecologie

In deze paragraaf is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen het bestemmingsplan mogelijk maakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen – wat ecologie betreft – moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente, en het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald.

Bestaande situatie

De planlocatie is gelegen aan de Sportlaan ten noorden van de kern Schoorl en bestaat uit een voormalig kantoorpand.

Beoogde ontwikkelingen

Op de planlocatie zal een woongebouw in een bestaand gebouw worden gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling gaat uit van de realisatie van een zestal appartementen binnen de huidige bebouwingscontouren. Wel zal de kap worden verhoogd.

Toetsingskader

Beleid

De Nota Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS is op provinciaal niveau uitgewerkt, de PEHS.

Normstelling

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw níet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang). Dit is wanneer:

  • er geen alternatief is; of
  • er geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Flora en faunawet voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend. Met betrekking tot vogels hanteert LNV de volgende interpretatie van artikel 11:

'De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Flora- en faunawet het gehele seizoen:

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd:

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.'

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

De planlocatie vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status (zoals een Natura 2000-gebied), maar is wel op 50 m afstand van het Natura 2000-gebied 'Schoorlse Duinen' gelegen, zie figuur 4.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPG04001sport2tot4-A001_0008.png"

Figuur 4.1 Ligging plangebied (zwarte cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Schoorlse Duinen'

Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen

Het gebied Schoorlse Duinen beslaat een strook kalkarme (en plaatselijk kalkrijkere) duinen die ligt tussen Bergen en de Hondsbossche Zeewering. Hier bevinden zich de hoogste duinen van ons land, tot maximaal 58 m boven zeeniveau. Het is een gevarieerd en uitgestrekt duinlandschap dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. In het westen liggen lagere zeereepduinen, gevolgd door een sterk geaccidenteerd landschap met uitgestrekte valleicomplexen, die over een grote oppervlakte zijn begroeid met dophei- en kraaiheivegetatie. De binnenduinrand is vrijwel geheel bebost. Een deel van deze bossen zijn oude loofbossen, een ander deel bestaat uit naaldbossen, die gezien de ouderdom en het lokaal voorkomen van zeldzame planten grote natuurwaarde hebben. In het zuidelijk deel lopen de boscomplexen door tot aan het buitenduin. In 1997 is ter hoogte van de Parnassiavallei een kerf aangebracht in de 100-150 m brede zeereep om zeewaterinvloed tot in de binnenduinen terug te brengen. Door middel van tabel 4.2 wordt verwezen naar de verschillende habitattypen.

Tabel 4.2 Habitattypen

Habitattypen  
H2110 - Embryonale duinen  
H2120 - Witte duinen  
H2130A - *Grijze duinen (kalkrijk)  
H2130B - *Grijze duinen (kalkarm)  
H2140A - *Duinheiden met kraaihei (vochtig)  
H2140B - *Duinheiden met kraaihei (droog)  
H2150 - *Duinheiden met struikhei  
H2160 - Duindoornstruwelen  
H2170 - Kruipwilgstruwelen  
H2180A - Duinbossen (droog)  
H2180B - Duinbossen (vochtig)  
H2180C - Duinbossen (binnenduinrand)  
H2190A - Vochtige duinvalleien (open water)  
H2190C - Vochtige duinvalleien (ontkalkt)  
H3260A - Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels)  

Het plangebied vormt geen onderdeel van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur.

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's (google maps), algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (Broekhuizen, 1992; Limpens, 1997, www.ravon.nl, FLORON, 2002 en www.waarnemingen.nl ) waarin de waarnemingen zijn aangegeven.

Vogels en zoogdieren

In het opgaande groen nabij de planlocatie komen naar verwachting algemene vogels voor zoals koolmees, merel en pimpelmees. Volgens de verspreidingsatlassen (Broekhuizen, 1992; Limpens, 1997) zijn in de omgeving van het plangebied de volgende soorten zoogdieren te verwachten: egel, gewone bosspitsmuis, veldmuis, mol, konijn, rosse woelmuis en huisspitsmuis. Gezien de voorkomende biotopen is alleen een soort als de huisspitsmuis hier te verwachten. Vleermuizen en broedvogels met vaste nesten komen naar verwachting niet voor in de bebouwing.

Overige soorten

Het plangebied is ongeschikt als biotoop voor beschermde planten, amfibieën, vissen, reptielen en insecten (vlinders, sprinkhanen en libellen). De genoemde beschermde soortengroepen stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan. In tabel 4.3 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 4.3 Beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime

vrijstellingsregeling Flora- en faunawet   tabel 1     mol, egel en veldmuis

bruine kikker, gewone pad en de middelste groene kikker  
ontheffingsregeling Flora- en faunawet   tabel 2     geen  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   geen  
    bijlage IV HR   geen  
  vogels   cat. 1 t/m 4   geen  
    cat. 5   koolmees, pimpelmees  

Toetsing en conclusie

Gebiedsbescherming

Gezien de kleinschaligheid van het plan en de tussenliggende buffers als wegen en gebouwen kunnen negatieve effecten vanuit de planlocatie op het Natura 2000-gebied 'Schoorlse Duinen' worden uitgesloten. De natuurbeschermingswet vormt daarmee geen beletsel voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Ffw niet optreden. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden. Er zal geen ontheffing nodig zijn voor de tabel 1-soorten van de Ffw waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Ffw geldt. De aantasting en verstoring van vogels dient te worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen (broedseizoen is globaal van 15 maart tot en met 15 juli) te laten starten.

Naar verwachting komen in het pand geen vleermuizen en broedvogels met vaste nesten voor. Mocht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden blijken dat er toch vleermuizen of broedvogels aanwezig zijn, dan dient het werk stilgelegd te worden. De werkzaamheden kunnen dan pas hervat worden als de vogels uitgebroed zijn en/of de vleermuizen naar een andere verblijfplaats zijn getrokken. Er dient dan bij de herinrichting van het pand wel rekening meegehouden te worden dat het pand ook na oplevering nog steeds geschikt moet zijn voor de aangetroffen soorten. Als deze maatregelen worden getroffen, is geen ontheffing van de Ffw noodzakelijk.