direct naar inhoud van 3.2 Wet- en regelgeving
Plan: Bergen aan Zee
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0373.BPG05000berzeekern-B001

3.2 Wet- en regelgeving

3.2.1 Cultuurhistorie en archeologie

Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007)

Wet op de archeologische monumentenzorg/ Verdrag van Malta

Het archeologisch bodemarchief is de grootste bron voor de geschiedenis in Nederland. Het Verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van deze archeologische waarden. Het Verdrag is geïmplementeerd via de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

Op grond van de aangescherpte regelgeving stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Het Rijk heeft de beleidsuitgangspunten ten aanzien van archeologie neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedere, de Nota Ruimte, de Wijziging van de Monumentenwet 1988 en diverse publicaties van het Ministerie van OC&W.

In paragraaf 2.4. zijn de uitkomsten van het voor het bestemmingsplan uitgevoerde archeologische onderzoek, beschreven.

Monumentenwet

Het doel van de Monumentenwet 1988 is om monumenten van bouwkunst en archeologie te behouden. Voor wijzigingen van een beschermd monument moet vergunning worden aangevraagd bij burgemeester en wethouders. In het plangebied zijn verschillende monumenten gelegen. In paragraaf 2.5 zijn de monumenten nader beschreven.

Provinciale monumentenverordening

De provinciale monumentenverordening bevat de door de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland aangewezen beschermde monumenten. Deze telt momenteel circa 550 monumenten. Voor het onderhoud of restauratie van deze monumenten kan onder bepaalde voorwaarden subsidie worden verleend. Bij restauratiewerkzaamheden aan een erkend monument moet de eigenaar een vergunning aanvragen bij de provincie.

Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007)

Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2007 zijn beslag heeft gekregen in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg, stellen Rijk en provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken.

Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005-2008, de Nota Belvedère, de Vijfde Nota Ruimtelijke ordening 2000/2002, het Structuurschema Groene Ruimte 2, een brief van de Staatssecretaris van OC&W aan de Tweede Kamer van 17 april 2000, de herziene Wet op de Archeologische Monumentenzorg en diverse publicaties van het Ministerie van OC&W.

3.2.2 Ecologie

In deze paragraaf is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen het nog op te stellen bestemmingsplan mogelijk zal maken. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente, en het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald.

Bestaande situatie

Het plangebied omvat de gehele dorpskern van Bergen aan Zee en een klein deel van het omliggende duingebied, boulevard en het strand.

Beoogde ontwikkelingen

Het op te stellen bestemmingsplan gaat uit van de bestaande situatie. Dit betekent dat hier geen grootschalige functieveranderingen en/of herinrichting zijn gepland. Binnen de bestemmingen worden wel kleinschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bouwen van aan- of bijgebouwen (al of niet omgevingsvergunningplichtig), het aanleggen van paden of verhardingen en mogelijk de jaarrond openstelling van strandpaviljoens.

Gebiedsbescherming

Beleid

De Nota Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS is op provinciaal niveau uitgewerkt.

Normstelling

Natuurbeschermingswet 1998

Uit een oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998, die op 1 oktober 2005 in werking is getreden, van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van LNV aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van LNV aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van LNV). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Speciale beschermingszones maken onderdeel uit van een samenhangend Europees ecologisch netwerk: Natura 2000. Dit netwerk is vergelijkbaar met de Nederlandse Ecologische Hoofdstructuur, echter op Europees niveau.

Gunstige staat van instandhouding

Lidstaten zijn verplicht om in de gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszone een 'Gunstige staat van instandhouding' te garanderen. Een ingreep kan (uitgezonderd ingrepen van zwaarwegend maatschappelijk belang) alleen doorgang vinden indien met zekerheid kan worden aangetoond dat geen negatieve effecten optreden. In artikel 1 van de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) wordt de 'Gunstige staat van instandhouding' als volgt gedefinieerd.

De staat van instandhouding van een natuurlijk leefgebied wordt als gunstig beschouwd wanneer:

  • het natuurlijk verspreidingsgebied van het leefgebied en de oppervlakte van dat leefgebied binnen het geheel stabiel zijn of toenemen;
  • de voor behoud op de langere termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in afzienbare toekomst waarschijnlijk zullen blijven bestaan;
  • de staat van instandhouding van de voor dat leefgebied typische soorten gunstig is.

De staat van instandhouding van een soort wordt als gunstig beschouwd wanneer:

  • uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van het natuurlijke leefgebied waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op de lange termijn zal blijven;
  • het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden;
  • er een voldoende groot leefgebied bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op de lange termijn in stand te houden.

Procedure

De procedure van de vergunning in het kader van Habitatrichtlijn wordt geacht via het ruimtelijke ordeningsspoor te lopen (bij bestemmingsplanprocedures is de provincie de toetsende instantie en bij aanlegvergunningen de gemeente). Voor eventuele ingrepen in of nabij de speciale beschermingszone dient daarom een beoordeling plaats te vinden of in een concreet geval een 'passende beoordeling' nodig is of niet. De Europese Commissie noemt dit de 'screening stage', ook wel vertaald met 'voortoets'. Alleen bij een negatieve uitkomst of twijfel over de effecten is vervolgens een passende beoordeling noodzakelijk.

Onderzoek

Het plangebied maakt gedeeltelijk deel uit van het Natura 2000-gebied 'Noordhollands Duinreservaat' (figuur 3.1.) en wordt derhalve beschermd in het kader van de Natuurbeschermingswet.

Het Noordhollands Duinreservaat is een karakteristiek voorbeeld van een Nederlands duinlandschap, zoals dat in de loop der eeuwen is ontstaan als gevolg van een samenloop van geologische, geomorfologische en klimatologische omstandigheden en menselijk handelen. Het is een biologisch, morfologisch, hydrologisch en landschappelijk geheel van duinen met natte en vochtige duinvalleien, duingraslanden, struwelen, bossen en ruigten. Het ligt op de overgang van de kalkrijke naar de kalkarme duinen. Het Engelse veld is hierbij vanwege de extreme kleinschaligheid uniek. Het reservaat behoort in zijn algemeenheid tot de kalkrijke duinen; er is echter een verloop in kalkrijkdom te zien. Het meest noordelijke stuk, ten noorden van Bergen aan Zee, is, evenals het aangrenzende gebied Schoorlse duinen, kalkarm. De vegetatie weerspiegelt de kalkgehalten in de bodem: in het uiterst noordelijke deel komen kalkarme vegetaties met kraaiheide, kruipwilg, buntgras en dergelijke voor, ten zuiden van Bergen aan Zee overgaand in kalkrijke duingraslanden met duinsterretje en zeedorpenvegetaties, zoals bij Wijk aan Zee en Egmond aan Zee. Een aanzienlijk deel van het gebied is bebost met naaldbos en loofbos, die voor een deel zeer oud zijn.

Het Habitatrichtlijngebied Noordhollands Duinreservaat kwalificeert zich vanwege de volgende kenmerken:

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPG05000berzeekern-B001_0005.png"

Figuur 3.1 Ligging Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat (uitsnede uit de ontwerpkaart, ministerie LNV)

Belangrijkst gebied voor:

Habitattype

2130   * vastgelegde met kruidvegetatie (grijze duinen)  
2140   * vastgelegde ontkalkte duinen met kraaihei  
2180   beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied; verbond van Els en Vogelkers  

* Prioritair habitat kustduinen.

Verder aangemeld voor:

Habitattype

2110   embryonale wandelende duinen  
2120   wandelende duinen op de strandwal met helm  
2130   *http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=habtypen&groep=2&id=2130  
2140   *vhttp://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=habtypen&groep=2&id=2140  
2160   Duinen met duindoorn  
2170   Duinen met kruipwilg  
2180   beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied  
2190   vochtige duinvalleien  

Soort

1014   Nauwe Korfslak  
1042   gevlekte witsnuitlibel  

* Prioritaire soorten en/of habitattypen volgens de Habitatrichtlijn; voor deze soorten en/of habitattypen gelden iets andere criteria bij de selectie van Natura 2000-gebieden en een zwaarder beschermingsregime onder de Natuurbeschermingswet en/of de Flora- en faunawet.

Het plangebied maakt tevens deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS/ grote aaneengesloten natuurgebieden).

Soortenbescherming

Normstelling

Flora- en faunawet

Wat de soortenbescherming betreft is de Flora- en faunawet van belang. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Flora- en faunawet bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert LNV de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Onderzoek

Via het Natuurloket (www.natuurloket.nlhttp://www.natuurloket.nl) kan een indicatie worden verkregen van de beschikbaarheid van soortengegevens bij verschillende Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO's). In de kilometerhokken waarbinnen het plangebied is gelegen zijn waarnemingen bekend van een aantal beschermde soorten. Bovendien is er gebruikgemaakt van verschillende verspreidingsatlassen (Ruitenbeek, 1990; Kapteyn, 1995; Broekhuizen, 1992; Janssen, 2004 en Limpens, 1997). Tevens zijn verspreidingsgegevens van www.ravon.nlhttp://www.ravon.nl en www.waarneming.nl alsmede het Groenstructuurplan geraadpleegd.

Vaatplanten

Volgens het Natuurloket zijn vaatplanten goed onderzocht binnen de betreffende kilometerhokken.

Er zijn geen zwaar beschermde aangetroffen, maar wel enkele licht beschermde soorten (meerdere Rode Lijstsoorten) waargenomen. Het dorp Bergen aan Zee is gelegen op de overgang van kalkrijke duinen in het zuiden naar kalkarme duinen in het noorden. Het verschil is duidelijk waar te nemen in de vegetatie van de duinen. De duinen ten zuiden van Bergen aan Zee zijn kaler, er bevinden zich enkele duinmeertjes en er groeit duindoorn. De duinen aan de noordzijde zijn meer bebost met enkele heidevelden (kraaihei), kruipwilg en buntgras. Een klein deel van het plangebied is bebost met naald- en loofbos. Groeiplaatsen van een licht beschermde soort als de grote kaardenbol is te verwachten op kleine verruigde percelen. Volgens www.waarnemingen.nl zijn er ook groeiplaatsen van een zwaar beschermde soort als de blauwe zeedistel aangetroffen in het plangebied. Ook de Maanvaren, Rondbladig wintergroen, Parnassia, Rozenkransje, Breedbladige Wespenorchis en Harlekijnorchis komen voor.

Vogels

Het Natuurloket meldt dat broedvogels matig onderzocht zijn binnen de betreffende kilometerhokken.

Het plangebied is naar verwachting vooral van grote betekenis voor vogels van het duinvogelgezelschap (Ruitenbeek, 1990). Het plangebied maakt deel uit van twee verschillende broedvogelgezelschappen, namelijk: wulprijk duinvogelgezelschap en roodborsttapuit duinvogelgezelschap. Kenmerkend voor het eerste gezelschap zijn de grote grondbroeders van het duin, zoals grote meeuwen, de wulp en de patrijs (Rode Lijstsoort). Op de grond broedende zangvogels als graspieper (Rode Lijstsoort), boompieper en tapuit (Rode Lijstsoort) en ook vogels die in de lage struwelen broeden, zoals kneu (Rode Lijstsoort) en grasmus (zie figuur 3.2.). Kenmerkend voor het tweede gezelschap zijn de zangvogels. Vogels als roodborsttapuit, grasmus, paapje (Rode Lijstsoort), tapuit (Rode Lijstsoort) en patrijs zijn hier karakteristiek (zie figuur 3.3.). Mogelijk maken broedvogels (zie figuur 3.3.) als heggenmus, winterkoning, merel, koolmees, pimpelmees, roodborst en ekster gebruik van het opgaande groen in de tuinen aanwezig in het plangebied. De huizen kunnen verblijfplaatsen bieden aan vogels als huismus, gierzwaluw, kauw en zwarte roodstaart.

Zoogdieren

Volgens het Natuurloket zijn zoogdieren slecht onderzocht. Er zijn binnen de betreffende kilometerhokken enkele zwaar beschermde soorten aangetroffen, mogelijk gaat het hier om eekhoorn en vleermuizen. In het plangebied zijn, gezien de voorkomende biotopen (gebouwen en bomen), mogelijk vaste verblijfplaatsen van vleermuizen te verwachten. Geschikte vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen in gebouwen zijn tussen spouwmuren, kieren, onder dakpannen en dakranden. Gezien de biotopen en de verspreidingsgegevens (Vleermuizen in het landschap, Kapteyn, 1995) zijn de volgende soorten in het plangebied te verwachten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De opgaande begroeiing kan tevens dienen als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen.

Mogelijk biedt het plangebied ook leefgebied aan de eekhoorn. De eekhoorn heeft voorkeur voor oude loof- en naaldbomen.

Gezien de biotopen en de verspreidingsgegevens uit de atlas van Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen, 1992) biedt het plangebied ook leefgebied aan de volgende soorten: vos, haas, konijn, hermelijn, wezel, rosse woelmuis, veldmuis, boommarter en bosmuis.

Amfibieën

Het Natuurloket meldt dat amfibieën matig onderzocht zijn. Er zijn licht maar ook zwaar beschermde soorten waargenomen binnen de betreffende kilometerhokken. Mogelijk heeft de rugstreeppad (zwaar beschermd) vaste verblijfplaatsen binnen het plangebied. De rugstreeppad is een soort die zandige terreinen bewoond (duinen en heidevelden). Voor de voortplanting is deze soort afhankelijk van ondiepe wateren. Licht beschermde soorten als gewone pad en bruine kikker hebben naar verwachting ook hun leefgebied in het plangebied. De gebouwen en struiken kunnen winterverblijfplaatsen bieden aan deze soorten.

Reptielen

Het Natuurloket meldt dat reptielen matig onderzocht zijn. Er is een zwaar beschermde soort waargenomen binnen de betreffende kilometerhokken. Het gaat hier in ieder geval om de zandhagedis. Het leefgebied van de zandhagedis bestaat uit open gebieden met een lage vegetatie, veelal op zonbeschenen plekken in het bos, zandverstuivingen en heidevelden. Deze biotopen komen ook binnen het plangebied voor en daarmee zijn vaste verblijfplaatsen ook in het plangebied te verwachten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPG05000berzeekern-B001_0006.jpg"

Figuur 3.2. Verdeling van nestplaatsen en voedselgebieden van soorten over verschillende begroeiingtypen in de gebieden van het Wulprijk Duinvogelgezelschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPG05000berzeekern-B001_0007.jpg"

Figuur 3.3. Verdeling van nestplaatsen en voedselgebieden van soorten over verschillende begroeiingtypen in de gebieden van het Roodborsttapuitrijk Duinvogelgezelschap

Insecten en overige soorten

Volgens het Natuurloket zijn dagvlinders goed en libellen redelijk onderzocht. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde dagvlinders en libellen (Natuurloket en www.waarnemingen.nl). Wel zijn er meerdere Rode Lijstsoorten aangetroffen. Er zijn onder andere waarnemingen bekend van bruine eikenpage, citroenvlinder, dagpauwoog, heivlinder, kleine vuurvlinder, viervlek en platbuik binnen Bergen aan Zee. De gevlekte witsnuitlibel is hier niet te verwachten, er is alleen in de omgeving van Castricum een kleine populatie van gevlekte witsnuitlibel bekend (Janssen, 2004).

In de onderstaande tabel staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 3.1 Beschermde soorten, naar verwachting aanwezig binnen het plangebied

vrijstellingsregeling Ffw   tabel 1     grote kaardenbol

vos, haas, konijn, hermelijn, wezel, rosse woelmuis, veldmuis en bosmuis

gewone pad en bruine kikker  
ontheffingsregeling Ffw   tabel 2     blauwe zeedistel
eekhoorn  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   geen  
    bijlage IV HR   alle vleermuizen
rugstreeppad en zandhagedis  
  vogels   cat. 1 t/m 4   gierzwaluw en huismus  

Toetsing

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt deel uit van het Natura 2000-gebied 'Noordhollands Duinreservaat' en wordt derhalve beschermd in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het plangebied maakt tevens deel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS/grote natuurgebieden). Omdat het bestemmingsplan hoofdzakelijk uitgaat van de bestaande situatie worden er geen ingrepen mogelijk gemaakt die een significant effect hebben op deze beschermde natuurgebieden. Voor eventuele kleinschalige ingrepen moet per geval beoordeeld worden of een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet vereist is.

Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen of verlening van ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig zal zijn en of het reëel is te verwachten dat deze zal worden verleend. Het bestemmingsplan gaat hoofdzakelijk uit van de bestaande situatie. Door middel van het bestemmingsplan worden echter (kleine) ontwikkelingen mogelijk gemaakt, waarbij sprake kán zijn van aantasting van te beschermen natuurwaarden. Indien in de toekomst nieuwbouw plaatsvindt, dan wel het aanpassen van of de sloop van gebouwen, ingrepen in tuinen (verhardingen, bouw van schuurtjes etc.), het vergraven van watergangen of het kappen van bomen, waarbij te beschermen diersoorten worden geschaad, zal geen ontheffing nodig zijn voor de tabel 1 soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet geldt. De aantasting en verstoring van vogels dient te worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van 15 maart tot en met 15 juli) te laten starten.

Mogelijk zijn zwaar beschermde soorten als vleermuizen, rugstreeppad, zandhagedis (allen tabel 3), eekhoorn en blauwe zeedistel (allen tabel 2), danwel vogels met een vaste nestplaats binnen het plangebied aanwezig. Indien vaste rust-, verblijfsplaatsen of standplaatsen van deze soorten aanwezig blijken (hetgeen aan de hand van veldonderzoek moet worden vastgesteld) en aangetast worden door de betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, dan dient overtreding van de Flora- en faunawet voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Flora- en faunawet de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Indien de vereiste maatregelen niet mogelijk zijn, dient in nader overleg met de Dienst Regelingen van het ministerie van LNV bepaald te worden of het plan in zijn huidige vorm uitvoerbaar is.

Conclusie

De Flora- en faunawet zal, indien het voorgaande in acht wordt genomen, de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan.