Bestemmingsplan Landelijk Gebied 1998,

Partiële herziening Nieuwe Schulpweg 18

 

Regels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Status ontwerp

Januari 2011

 

NL.IMRO.0373.BPG09002NWSCHLPW18-B001

 

Opgesteld door:

John Dekker A&O

Zinnia-Advies

AMA-design

 

 

 


 Inhoudsopgave regels

 

Hoofdstuk 1. Inleidende Regels. 3

Artikel 1: Begrippen. 3

Artikel 2: Wijze van meten. 6

Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels. 7

Artikel 3.Tuin (T) 7

  Artikel 4 Wonen (W) 9

Hoofdstuk 3. Algemene regels. 11

Artikel 5. Anti-dubbeltelregel 11

Artikel 6. Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten. 11

Artikel 7. Percentages. 11

Artikel 8. Overschrijding bouwgrenzen. 11

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels. 11

Artikel 9. Overgangsrecht  en slotregel 12

 


 

Hoofdstuk 1. Inleidende Regels

 

Artikel 1: Begrippen

 

1.              

het plan:

het bestemmingsplan van de gemeente Bergen met als naam Bestemmingsplan Landelijk Gebied 1998, partiële herziening Nieuwe Schulpweg 18;

 

2.           

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0373.BPG09002NWSCHLPW18-B001 met de bijbehorende regels;

 

3.              

aan- en uitbouw:

een aan een hoofdgebouw aangebouwd (deel van het) gebouw dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

 

4.           

 

aan-huis-verbonden beroep:

het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, (para)medisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, niet zijnde thuisprostitutie, welke door hun beperkte omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij behorende bebouwing worden uitgeoefend, waarbij de woonfunctie als primaire functie behouden en herkenbaar blijft;

 

5.           

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

 

6.           

bebouwingspercentage:

een op de verbeelding of in de voorschriften aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

 

7.           

bestaand bouwwerk:

een bouwwerk dat:

a. op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan             bestaat of in uitvoering is;

b. na dat tijdstip is, of mag worden gebouwd krachtens een bouwvergunning waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend;

 

8.           

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

 

9.           

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

 

10.         

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

 

11.         

bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

 

12.     

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

 

13.    

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

 

14.    

bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

 

15.     

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

 

16.     

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

 

17.     

bijgebouw:

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

 

18.     

dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

 

19.     

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

 

20.     

dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling:

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio’s en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

 

21.     

dienstverlening:

het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden;

 

22.     

eerste bouwlaag:

de bouwlaag op de begane grond;

 

23.     

erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van dat gebouw en voor zover de regels deze inrichting niet verbieden;

 

24.     

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

 

25.     

hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

 

26.     

horizontale diepte van een gebouw:

de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel;

 

27.     

Kantoorruimte in een woning / praktijkruimte in een woning:

een gedeelte van een woning, dat dient voor het uitoefenen van een beroep, dat in die woning met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten;

 

28.     

onderkomen:

een voor verblijf geschikt bouwwerk, waaronder begrepen al dan niet aan zijn bestemming onttrokken voer- of vaartuig, ark, caravan, woon- of stacaravan, voor zover geen bouwwerk zijnde, alsmede een tent;

 

29.     

peil:

a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van de weg;

b. in andere gevallen en voor bouwwerken geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;

 

30.     

snijdende voorgevelrooilijn:

de (denkbeeldige) doorgetrokken voorgevelrooilijn van een woning(rij), welke de voorgevelrooilijn van de dwars daarop geplaatste andere woning(rij) kruist;

 

31.     

verticale diepte van een gebouw:

de diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer;

 

32.     

voorgevelrooilijn:

de (denkbeeldige) lijn in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw alsmede de (denkbeeldige) lijn in het verlengde van de andere naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, niet zijnde de achtergevel;

 

33.     

woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

 

 


Artikel 2: Wijze van meten

 

1.           

Bij toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

 

a.            

lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren;

 

 

b.           

de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

 

 

c.             

de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

 

d.           

de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

 

 

e.           

de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

 

 

f.              

de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

 

 

g.           

afstanden:

afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

 

 


Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels

 

Artikel 3 Tuin (T)

 

Artikel 3.1. Bestemmingsomschrijving                                                                            

 

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.     tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, parkeren, water en toegangsweg.

 

Artikel 3.2. Bouwregels                                                                                                     

 

3.2.1 Op de gronden zijn ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met uitzondering van paardenbakken, bouwwerken ten behoeve van mestopslag, tredmolens, lichtmasten ten behoeve van paardenbakken en zwembaden.

 

3.2.2 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a.     de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 1 m;

b.    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1 m.

 

Artikel 3.3 Ontheffing van de bouwregels                                                                       

 

3.3.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid    3.2.1, ten behoeve van aan- en uitbouwen aan het hoofdgebouw met dien verstande dat:

a.     de diepte van aan- en uitbouwen bij vrijstaande woningen niet meer mag bedragen dan 1,5 m gemeten vanuit de voor- en/of zijgevel van het hoofdgebouw;

b.    de breedte van aan- en uitbouwen aan de voorgevel van het hoofdgebouw bij vrijstaande woningen niet meer mag bedragen dan 50% van de voorgevel van het hoofdgebouw;

c.     de lengte van aan- en uitbouwen aan de zijgevel bij vrijstaande woningen niet meer mag bedragen dan 50% van de lengte van de zijgevel van het hoofdgebouw;

d.    de bouwhoogte van aan- en uitbouwen niet meer mag bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw;

e.    het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig mag worden aangetast door het verlenen van de ontheffing.

 

Artikel 3.4 Specifieke gebruiksregels                                                                              

 

3.4.1. Het is niet toegestaan om:

  1. gronden in gebruik te nemen/hebben voor paardenbakken en mestopslag;
  2. gronden te gebruiken als erf.

 

 


Artikel 4 Wonen (W)

 

Artikel 4.1. Bestemmingsomschrijving                                                                            

 

4.1.1. De op de verbeelding voor Wonen (W) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, met dien verstande dat per bouwvlak maar 1 woning is toegestaan.

 

4.1.2. Onder de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, in samenhang met het wonen, wordt verstaan het gebruik van gedeelten van woningen en de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, voor zover:

  1. het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aan- en uitbouwen, met een maximum van 50 m²;
  2. ten behoeve van de aan-huis-gebonden beroepen en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien;
  3. de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is en gelieerd aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

 

Artikel 4.2. Bouwregels                                                                                                     

 

4.2.1. Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd,

a.     hoofdgebouwen;

b.    aan- en uitbouwen en overkappingen;

c.     bijgebouwen;

d.    bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

4.2.2. Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de verbeelding en de volgende regels.

a.      per bouwvlak is maximaal 1 woning toegestaan;

b.      de inhoud van een woning binnen het bouwvlak bedraagt maximaal 650 m³;

c.      een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd;

d.      de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

e.      de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

 

4.2.3. Voor het bouwen van aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

1.   aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen zowel binnen als buiten het

      bouwvlak alsmede voor de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;

2. voor het bouwen van aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak geldt dat de goothoogte niet meer dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 5 meter mag bedragen

3  voor het bouwen van aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak geldt dat:

  1. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 50 m²;
  2. voor aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen mag de goothoogte maximaal 3 meter en de nokhoogte maximaal 4 meter bedragen;
  3. ten aanzien van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen geldt, dat
    de goothoogte niet meer dan 3 m mag bedragen en de bouwhoogte niet meer dan 5 m mag bedragen.
  4. bijgebouwen mogen niet voorzien worden van dakkapellen, dakopbouwen of gevelopbouwen.

 

4.2.4. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a.    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 1 m;

b.    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1 m.

 

Artikel 4.3. Specifieke gebruiksregels                                                                             

 

4.3.1. Het is niet toegestaan om:

  1. gronden in gebruik te nemen/hebben voor paardenbakken en mestopslag;
  2. gebouwen te gebruiken voor het stallen van paarden;
  3. bijgebouwen te gebruiken als slaapgelegenheid.

 


Hoofdstuk 3. Algemene regels

 

Artikel 5. Anti-dubbeltelregel                                                                                           

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

Artikel 6. Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten                                                        

 

Voor een bouwwerk, dat krachtens een bouwvergunning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat:

  1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
  2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden;
  3. Ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;
  4. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

 

Artikel 7. Percentages                                                                                                       

Een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, geeft aan hoeveel van het bouwvlak van het desbetreffende bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen. Bij het ontbreken van een percentage mag het bouwvlak volledig worden bebouwd, tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald.

                                                                                                     

Artikel 8. Overschrijding bouwgrenzen                                                                           

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de verbeelding en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door:

  1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt;
  2. tot gebouwen behorende erkers, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt en de oppervlakte niet meer dan 6 m²;
  3. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt.

 

 


Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels

 

Artikel 9.1. Overgangsrecht bouwwerken                                                                       

 

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

 

a.    gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b.    na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

 

Artikel 9.2. Ontheffingsregel                                                                                                        

 

9.2.1. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

 

9.2.2 Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

Artikel 9.3. Overgangsrecht gebruik                                                                                

 

9.3.1 Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

 

9.3.2 Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

 

9.3.3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

 

9.3.4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

Artikel 9.4. Slotregel                                                                                                          

 

Deze regels kunnen worden aangehaald onder de titel “regels deel uitmakende van het bestemmingsplan Landelijk Gebied 1998, partiële herziening Nieuwe Schulpweg 18”.