direct naar inhoud van 4.4 Bodem
Plan: Herenweg 58
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0373.BPG01201herenweg58-B001

4.4 Bodem

Normstelling en beleid

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Dat geldt voor oude gevallen van bodemverontreiniging die voor 1987 zijn ontstaan. Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geld dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek

Het plan maakt een functiewijziging mogelijk van 'bedrijf' naar 'wonen'. Omdat de bedrijfsactiviteiten uit het verleden mogelijk tot bodem verontreinigingen hebben geleid dient door middel van onderzoek te worden aangetoond dat er geen kans is op ernstige verontreinigingen. Mogelijk dient bij de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, in het kader van de milieuvergunning, een eindsituatie bodemonderzoek te worden verricht waarvan de resultaten kunnen worden verwerkt in het bestemmingsplan. Indien een dergelijk onderzoek niet aanwezig is kan een verkennend bodemonderzoek worden verricht conform NEN 5740. Dit verkennend bodemonderzoek kan tevens worden gebruikt voor de omgevingsvergunning aanvraag, bij de aanvraag moet immers een rapport omtrent de kwaliteit van de bodem worden gevoegd.

Conclusie

Op grond van artikel 2.4 Regeling omgevingsrecht dient te zijner een recent bodemonderzoeksrapport NEN-5740 te worden overgelegd. Omdat het bodemonderzoek op grond van artikel 2.1.5 lid 5 Bouwverordening pas na afronding en vrijgave van de sloopwerkzaamheden mag worden uitgevoerd, ligt het voor de hand om het vereiste bodemonderzoek als voorwaarde in de omgevingsvergunning op te nemen (zie artikel 2.7 Regeling omgevingsrecht en artikel 6.2.c Wabo). Daarbij is bepaald dat het bodemrapport uiterlijk 3 weken voorafgaand aan de geplande start van de bouw moet worden overgelegd ter beoordeling en dat de omgevingsvergunning van rechtswege uitgestelde inwerkingtreding heeft tot dat een eventuele bodemsanering is uitgevoerd en de evaluatie daarop door het bevoegd gezag Wet bodembescherming, in casu de provincie Noord-Holland.

Als bij de sloop van de huidige loods substantiële hoeveelheden asbest worden verwijderd, is als onderdeel van het bodemonderzoek NEN-5740 tevens een nader bodemonderzoek naar asbest NEN-5707 vereist met proefsleuven en microscopisch onderzoek. Vorenstaande onderzoeken kunnen gecombineerd worden met een eventueel 'eindsituatiebodemonderzoek' in het kader van de Wet milieubeheer.