direct naar inhoud van 3.2 Wet- en regelgeving
Plan: Centrum - Beschermd Dorpsgezicht
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0373.BPG03000bergbeschd-B001

3.2 Wet- en regelgeving

Deze paragraaf geeft een overzicht van de actuele Europese, nationale en provinciale wet- en regelgeving ten aanzien van de relevante aspecten.

3.2.1 Cultuurhistorie en archeologie

Monumentenwet

Het doel van de Monumentenwet 1988 is om monumenten van bouwkunst en archeologie te behouden. Voor wijzigingen van een beschermd monument moet vergunning worden aangevraagd bij burgemeester en wethouders. In het plangebied zijn verschillende monumenten gelegen. De in het plangebied voorkomende rijksmonumenten zijn reeds opgesomd in hoofdstuk 2.

Provinciale monumentenverordening

De provinciale monumentenverordening bevat de door de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland aangewezen beschermde monumenten. Deze telt momenteel circa 550 monumenten. Voor het onderhoud of restauratie van deze monumenten kan onder bepaalde voorwaarden subsidie worden verleend. Bij restauratiewerkzaamheden aan een erkend monument moet de eigenaar een vergunning aanvragen bij de provincie. De in het plangebied voorkomende provinciale monumenten zijn reeds opgesomd in hoofdstuk 2.

Gemeentelijke monumentenverordening

De gemeentelijke monumentenverordening is door de gemeenteraad van Bergen vastgesteld op 31 oktober 2006. De verordening bevat bepalingen ten aanzien van de aanwijzing van gebouwen tot gemeentelijk monument. Daarnaast bevat het een verbod op het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument. Zonder een vergunning van het college van burgemeester en wethouders mag aan een gemeentelijk monument niets worden gewijzigd. De Commissie Cultuurhistorische kwaliteit geeft een schriftelijk advies omtrent de vergunningverlening. De in het plangebied voorkomende gemeentelijke monumenten is zijn reeds beschreven in hoofdstuk 2.

Aanwijzing Beschermd dorpsgezicht

Conform de Monumentenwet kunnen stads- en dorpsgezichten worden aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Alvorens tot aanwijzing wordt overgegaan wordt het voorstel tot aanwijzing aan de gemeenteraad toegezonden voor advies. De gemeenteraad dient dan binnen 6 maanden een advies uit te brengen over het wel of niet aanwijzen als beschermd stads- en dorpsgezicht. De minister van OCW en de minister van VROM beslissen in ieder geval binnen 12 maanden na verzending van het voorstel. Het plangebied is op 26 oktober 1990 aangewezen als beschermd dorpsgezicht door de toenmalige minister van Welzijn, volksgezondheid en Cultuur (check) op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.

Uit de Monumentenwet 1988 (artikel 36 lid 1) vloeit voort dat de gemeenteraad ten aanzien van het gebied dat is aangewezen, een beschermend bestemmingsplan dient op te stellen. Tot op heden is een zodanig beschermend bestemmingsplan nog niet opgesteld. Het onderhavige bestemmingsplan beoogt aan het bepaalde in artikel 36 lid 1 van de Monumentenwet 1988 te voldoen.

Vanwege de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht is het gebied uitgesloten van vergunningvrij bouwen zoals bedoeld in bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het voorgaande betekent dat voor het bouwen binnen het beschermde dorpsgezicht in alle gevallen een omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd die vervolgens getoetst wordt aan (onder andere) het bestemmingsplan.

Wet op de archeologische monumentenzorg/Verdrag van Malta

Het archeologisch bodemarchief is de grootste bron voor de geschiedenis in Nederland. Het Verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van deze archeologische waarden. Het Verdrag is geïmplementeerd via de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

Op grond van de aangescherpte regelgeving stellen Rijk en provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer, voorafgaand aan bodemingrepen, archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Het Rijk heeft de beleidsuitgangspunten ten aanzien van archeologie neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte, de Wijziging van de Monumentenwet 1988 en diverse publicaties van het Ministerie ven OC&W.

3.2.2 Ecologie

Huidige situatie

Het plangebied betreft het centrum van Bergen. Het centrum van Bergen bestaat uit veel oude bebouwing, opgaande begroeiing (veel oude solitaire bomen en laanbomen), gecultiveerd groen, park en watergangen.

Gebiedsbescherming

Beleid

De Nota Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS is op provinciaal niveau uitgewerkt, de PEHS.

Onderzoek

Het plangebied is op geringe afstand gelegen van het habitatrichtlijngebied Noord-Hollands duinreservaat (in het kader van de Europese Habitatrichtlijn die tevens deel uitmaakt van een beschermd natuurmonument).

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPG03000bergbeschd-B001_0008.png"

Figuur 7: Ligging plangebied (rode cirkel) en Natura 2000-gebied (groen gearceerd)

Het Habitatrichtlijngebied Noord-Hollands duinreservaat kwalificeert zich vanwege de volgende kenmerken:

Belangrijkst gebied voor:

Habitattype

2130   * vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (grijze duinen)  
2140   * vastgelegde ontkalkte duinen met kraaihei  
2180   beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied; verbond van els en vogelkers  

* Prioritair habitat kustduinen.

Verder aangemeld voor:

Habitattype

2110   embryonale wandelende duinen  
2120   wandelende duinen op de strandwal met helm  
2130   * vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie ('grijze duinen') [2130]  
2140   * vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum [2140]  
2160   duinen met duindoorn  
2170   duinen met kruipwilg  
2180   beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied  
2190   vochtige duinvalleien  

Soort

1014   nauwe korfslak  
1042   gevlekte witsnuitlibel  

* Prioritaire soorten en/of habitattypen volgens de Habitatrichtlijn; voor deze soorten en/of habitattypen gelden iets andere criteria bij de selectie van Natura 2000-gebieden en een zwaarder beschermingsregime onder de Natuurbeschermingswet en/of de Flora- en faunawet.

Het plangebied maakt geen deel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS).

Soortenbescherming

Normstelling

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw níet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert LNV de volgende interpretatie van artikel 11:

'De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen:

  • nesten van blauwe reiger, spechten, uilen en kraaiachtigen zijn, indien ze nog in functie zijn, jaarrond beschermd.
  • nesten van in bomen broedende roofvogelsoorten zijn jaarrond beschermd. Deze soorten zijn niet in staat een geheel eigen nest te bouwen en maken gebruik van oude kraaiennesten of nesten waar zij eerder gebroed hebben. Hier geldt dat er voldoende nestgelegenheid aanwezig moet blijven en dat niet elk kraaiennest in een territorium gespaard behoeft te worden bij een ingreep.
  • nesten van grotendeels of geheel van menselijke activiteiten afhankelijke soorten (zoals ooievaar, torenvalk, kerkuil, steenuil, zwaluwen) zijn, indien ze nog in functie zijn, jaarrond beschermd. Het vervangen, repareren of in de directe omgeving verplaatsen van een kast voor één van bovengenoemde soorten wordt niet gezien als een overtreding, zolang er maar nestgelegenheid beschikbaar blijft.'

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Onderzoek

Vaatplanten

Het Natuurloket geeft aan dat vaatplanten goed onderzocht zijn binnen de betreffende kilometerhokken. Er zijn meerdere beschermde vaatplanten waargenomen binnen de betreffende kilometerhokken. Het plangebied kent waardevol en structureel groen; meest in de vorm van bos(jes). Hier groeien mogelijk licht beschermde soorten als gewone vogelmelk, brede wespenorchis en slanke sleutelbloem. Ook de bekende Ruïnekerk wordt aangemerkt als bijzonder element voor muurvegetaties als: verschillende varens (eikvarens), mossen, klein glaskruid en muurleeuwenbek. Ook komen hier soorten als struikheide en hulst voor. De meest voorkomende boomsoorten in het plangebied zijn eik, berk, beuk, linde, es, lijsterbes en iep.

Vogels

Volgens het Natuurloket zijn broedvogels goed onderzocht binnen de betreffende kilometerhokken.

Mogelijk maken broedvogels (zie tabel 3.2) als heggenmus, winterkoning, merel, koolmees, pimpelmees, roodborst en ekster gebruik van het opgaande groen in tuinen en parken aanwezig op de planlocatie. Ook vogels zoals de grote bonte specht en groene specht (Rode Lijstsoort) zijn nabij het plangebied waargenomen, mogelijk maken deze soorten ook gebruik van het plangebied.

Mogelijk maakt een soort als huismus gebruik van de bebouwing en komt hier tot broeden.

Tabel 3.2 Vogels van bebouwing met tuinen (vet: Rode Lijst)

bebouwing met tuinen  
houtduif
groene specht
Turkse tortel
winterkoning
heggenmus
roodborst
merel
zanglijster
zwartkop
tjiftjaf
fitis
pimpelmees
koolmees  
boomkruiper
vlaamse gaai
ekster
kauw
zwarte kraai
spreeuw
huismus
vink
groenling  

Zoogdieren

Het Natuurloket geeft aan dat zoogdieren slecht onderzocht zijn binnen de betreffende kilometerhokken. Er is een zwaar beschermde soort waargenomen en een habitatrichtlijnsoort. Waarschijnlijk gaat het hier om vleermuizen (zwaar beschermde soort). Volgens de verspreidingsgegevens uit 'Vleermuizen in het Landschap' (Kapteyn, 1995) is het plangebied en de nabije omgeving van grote betekenis voor vleermuizen, zowel qua soortenrijkdom als qua aantallen. Aangetroffen soorten zijn watervleermuis, gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse en grootoorvleermuis en baardvleermuis. Met name de laatste twee soorten zijn landelijk en regionaal vrij zeldzaam. De oude bomen en gebouwen bieden plaats aan meerdere vleermuiskolonies.

De Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen, 1992) laat zien dat in het plangebied en de omgeving soorten als mol, egel, eekhoorn, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, dwergmuis, bosmuis, rosse woelmuis, hermelijn, wezel en konijn voorkomen. Gezien de voorkomende biotopen, kunnen alle genoemde soorten een verblijfplaats in het plangebied hebben, ook de zwaar beschermde eekhoorn.

Amfibieën

Volgens het natuurloket zijn amfibieën matig onderzocht binnen de betreffende kilometerhokken. Er is een zwaar beschermde soort waargenomen (een habitatrichtlijnsoort). Gegevens van RAVON tonen aan dat slechts algemene amfibieën als gewone pad, groene kikker en bruine kikker mogelijk gebruikmaken van het plangebied als onderdeel van hun leefgebied. De zwaar beschermde soort is mogelijk waargenomen in het buitengebied.

Overige soorten

In het plangebied leven geen beschermde reptielen, vissen (er zijn geen watergangen binnen het plangebied), insecten of andere soorten. Dergelijke soorten stellen eisen stellen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In de onderstaande tabel staat aangegeven welke beschermde soorten in het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 3.3 Beschermde soorten in het plangebied en het beschermingsregime

vrijstellingsregeling Ffw   ontheffingsregeling Ffw  
categorie 1   categorie 2   categorie 3  
gewone vogelmelk, brede wespenorchis en slanke sleutelbloem

mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, dwergmuis, bosmuis, rosse woelmuis en konijn

bruine kikker, groene kikker en gewone pad  
alle soorten inheemse vogels

eekhoorn
 
alle vleermuizen  

Gevolgen

Gebiedsbescherming

In het bestemmingsplan voor het beschermde dorpsgezicht van Bergen worden enkele kleinschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Dergelijke ontwikkelingen hebben geen grote verstorende werking binnen de speciale beschermingszone, aangezien de stedelijke omgeving als een buffer voor dergelijke kleine ontwikkelingen werkt. Geen van de soorten of habitats waarvoor het Natura 2000-gebied is aangemeld zal worden aangetast door dergelijke ontwikkelingen. Een voortoets zal derhalve naar verwachting met redelijke zekerheid vaststellen dat er geen schade zal optreden.

Soortenbescherming

Binnen het beschermde dorpsgezicht van Bergen zal medewerking worden verleend aan een aantal bouwplannen. Deze plannen maken sloop- en (ver)bouwwerkzaamheden en werkzaamheden in tuinen en groengebieden mogelijk en kunnen derhalve leiden tot aantasting en verstoring van beschermde dier- of plantensoorten. Er zal geen ontheffing nodig zijn voor de tabel 1-soorten van de Ffw waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Ffw geldt. De aantasting en verstoring van vogels dient te worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van 15 maart tot en met 15 juli) te laten starten.

Bij werkzaamheden aan gebouwen dient vooraf onderzoek (voorjaar en zomer 2010) te worden gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen en vogels.

Bij het rooien van bomen dient de aanwezigheid (nader onderzoek voorjaar 2010) van de eekhoorn en vogels te worden vastgesteld.

Mogelijk zijn zwaar beschermde vleermuizen (tabel 3, bijlage IV HR), eekhoorn (tabel 2), dan wel vogels met een vaste nestplaats binnen het plangebied aanwezig. Indien vaste rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen en/of primaire vliegroutes of primaire foerageergebieden van deze soorten aanwezig blijken (hetgeen aan de hand van veldonderzoek moet worden vastgesteld) en aangetast worden door toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, dan dient overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Ffw de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Indien de vereiste maatregelen niet mogelijk zijn, dient in nader overleg met de Dienst Regelingen van het ministerie van LNV bepaald te worden of het plan in zijn huidige vorm uitvoerbaar is.

Vissen, amfibieën en beschermde soorten planten hebben ter plaatse geen vaste verblijfplaats.